Houtskool -
Een van de oudste tekenmaterialen dat gemaakt is van geschroeide wilgentwijgen.
Het is een populair materiaal omdat het zo gemakkelijk te corrigeren is.
Er kan zowel in grijstonen als in diep zwart gewerkt worden.
Houtskool wordt gebruikt door: Mieke Dillo,
Edgar Jansen en
Otto Schilling
Potlood -
Een mengsel van grafiet en klei gevat in hout. Is beschikbaar in verschillende hardheden.
Met potlood kunnen precieze tekeningen op papier gemaakt worden in een scala van grijstonen.
Het formaat is meestal niet al te groot.
Potlood wordt gebruikt door: Simone Bingemer en
Jeroen Dercksen
Pastel -
Met pastel kan men op schilderachtige wijze werken: laag over laag of transparant in elkaar overgaand.
Pastels zijn met de hand gerolde staafjes puur pigment, vermengd met pijpaarde en arabische gom.
Een van de eerste pastellisten was Leonardo da Vinci. Het materiaal is dus zeer houdbaar.
Pastel wordt aangebracht op Ingres- of Cansonpapier, papier met een linnenstructuur.
Het materiaal heeft een fluwelige textuur. Door de subtiele tinten leent het zich goed voor portretten.
Pastel wordt gebruikt door: Simone Bingemer,
Mieke Dillo,
Guus Hendrickx en
Edgar Jansen
Aquarel -
Transparante waterverf met veelal heldere kleuren.
De aquarel wordt geschilderd op speciaal aquarelpapier, dat extra dik is en vocht absorbeert.
De meeste aquarelschilders gebruiken geen wit; het wit bestaat uit het onbeschilderd papier.
Men spreekt van een "nat-in-nat"- techniek als de kleuren op het
vochtige papier aangebracht worden en in meer of mindere mate uitvloeien.
Door de transparante kleuren laag over laag heen te schilderen krijg je een mooie menging van de kleuren.
Al met al is het een techniek die een grote vaardigheid vereist.
Aquarel wordt gebruikt door: Arjan van Gent,
Henni Haselaar,
Edgar Jansen en
Otto Schilling
Olieverf -
Olieverf wordt gemaakt van pigmenten, gewreven in een drogende (of halfdrogende)
olie, zoals lijnolie, notenolie, papaverolie of safloerolie.
Olieverf dankt zijn karakteristieke uiterlijk en zijn goede verwerkbaarheid aan het gebruik van de olieën als bindmiddel.
In olie gewreven pigmenten hebben een bijzondere diepte en kleurklank.
Er kan transparant en dekkend mee worden geschilderd, er kan direct "nat-in-nat" mee worden gewerkt,
in zorgvuldig over elkaar heen opgebrachte lagen (glaceren) een schilderij mee worden opgebouwd.
Als de verf nat op de ondergrond ligt, kan er veel langer worden gewerkt dan bij andere schildertechnieken.
Dat biedt ruimte voor bepaalde mengeffecten en voor het veilig opbrengen van nieuwe kleuren.
Olieverf wordt gebruikt door: Bo Bakker,
Arjan van Gent,
Corrie Goldhoorn,
Henni Haselaar,
Fred de Heij,
Guus Hendrickx,
Jan van 't Hoff,
Bart Holt,
Mat Kissing,
Corry Koekkoek,
Judith Lansink,
Cornelis le Mair,
Ben Lustenhouwer,
Marjolein Nannenga,
Ineke Pijn,
Evert Ploeg,
Joanna Quispel,
Maria Rood,
Rianne Smit,
Ellis Tertoolen en
René Tweehuysen
Acrylverf -
Synthetische verf, ontwikkeld in de jaren vijftig. Een eigentijds alternatief voor olieverf.
Het kan zowel dun en transparant, als dik en pasteus gebruikt worden.
De ondergrond is meestal linnen maar het kan ook heel goed op paneel worden gebruikt.
Een van de praktische voordelen van acrylverf is dat het snel droogt. Ook heeft het schilderij een grote duurzaamheid.
Acrylverf wordt gebruikt door: Henk L. den Breems en
Jeroen Dercksen
Tempera -
Bij het tempera schilderen bestaat het bindmiddel voor het pigment uit een natuurlijke emulsie zoals eierdooier,
of een kunstmatige emulsie op basis van gom- of lijm.
Een emulsie heeft als belangrijkste kenmerk dat het een stabiel mengsel of een stabiele suspensie is van twee vloeistoffen,
die zich normaal niet vermengen; b.v. olie en water.
De emulsies die bij het temperaschilderen worden gebruikt zijn gewoonlijk in water oplosbare of olie-in-wateremulsies.
Het oliebestanddeel is dan als fijne druppeltjes gesuspendeerd in de waterige vloeistof.
De meest voorkomende soort tempera is ei-tempera, die in water oplosbaar is.
De eidooier vormt een natuurlijke emulsie en als het met pigment en gedestilleerd of gezuiverd water wordt gemengd,
levert het een sneldrogend en zeer karakteristieke schildertechniek op.
Dit medium werd traditioneel gebruikt in werken die langzaam en zorgvuldig werden opgebouwd.
Bij eitempera wordt de verf dun gebruikt en systematisch in lagen over elkaar heen gelegd.
Het unieke karakter van dit medium is deels te danken aan het feit dat er in vergelijking met andere
media veel meer streken verf over elkaar kunnen worden aangebracht,
zonder dat het schilderij ook maar iets aan frisheid inboet.
Het is zelfs zo dat de kleur en de vorm van de allereerste laag hun uitwerking op alle achtereenvolgende lagen behouden.
Eitempera was tot de vijftiende eeuw het standaardmedium van de Europese paneelschilderkunst.
De karakteristieke kleine streekjes verf zijn bij nadere bestudering waar te nemen op de meeste
schilderijen van voor de komst van de beter verwerkbare olieverf.
Tempera wordt gebruikt door: René Tweehuysen
Brons -
Een portret in brons wordt eerst in klei gemaakt. Tijdens de eerste ateliersessie worden foto's gemaakt en wat maten genomen.
Na ± drie weken worden twee of drie afspraken gemaakt het liefst elke week één van ± één uur.
Voor kinderen is dit poseren vaak een feest want ze mogen dan kleien of met iets spelen. Zo kunnen ze rustig worden geobserveerd.
Als er overeenstemming is gaat het portret naar de bronsgieter.
Daar wordt op de klei een rubber mal gemaakt in twee delen plus een gipsmal ook in twee delen.
Dan wordt dat opengemaakt en word de klei verwijderd. In de twee open halve negatieven delen,
gipskap met rubbermal erin, wordt een dun laagje was ingepenseeld.
Vervolgens gaan de twee helften op elkaar en wordt er nog eens vloeibare was ingegoten.
Dit blijft een poosje staan zodat de naden goed vollopen dan wordt de was er weer uit gegoten.
Als het uitgehard is wordt het positieve portret van was uit de rubbermal gehaald.
De kunstenaar moet dan zelf de naden bijwerken, de halsafsnijding aangeven en signeren.
De bronsgieter maakt dan om dit wasmodel weer een gipskap, slaat koperen spijkers door de was heen in de gipskap,
om het portret op z'n plaats te houden. Verder wordt er in de holte die over is een kern gegoten van gips en gravel.
Dit hele gevaarte gaat in een uitstookoven, daar smelt men de was er dan uit.
Tussen de kern en de gipskap is dus nu een ruimte ontstaan die vervolgens wordt volgegoten met vloeibaar brons.
Afkoelen en uithakken en dan is het ruwe portret klaar.
Verder moet het portret geciseleerd worden d.w.z. alle tentakels, spijkers e.d. er af slijpen.
Dan gaat het portret nog in een machine waar met zand alle laatste onregelmatigheden worden verwijderd.
Het is dan blank, koperkleurig van kleur.
De laatste handeling is de kleur van het portret.
Dit gebeurt d.m.v. patineren met chemicaliën die er met een brander worden opgebracht.
Dit geheel is een langdurig en handmatig proces maar daarna voor de eeuwigheid.
Brons wordt gebruikt door: Anneke Hei en
Bart Holt